Gepubliceerd in 1997 door Houtekiet is dit tweede boek van Anna Coudenys een unicum: tot nu toe is het de eerste keer dat ze vanuit het standpunt van een twaalfjarige jongen schrijft. Ze doet dit in twee lagen: enerzijds is er het eigenlijke verhaal dat zich in de verleden tijd afspeelt, anderzijds zijn er Davids herinneringen en intiemste gedachten die in de tegenwoordige tijd geschreven zijn. Zo komen we doorheen het verhaal langzaam te weten wat precies dat “geheim” is dat David zo krampachtig probeert verborgen te houden. Psychologie en spanning spelen in deze roman voor jongeren én ouderen vanaf de leeftijd van 12 een belangrijke rol. Een zorgvuldige opbouw zorgt ervoor dat de twee verhaallijnen – de uiterlijke gebeurtenissen en de herinneringen en innerlijke stem van David – op het einde perfect samenkomen in een climax.
Coudenys baseerde zich voor dit verhaal op een krantenartikel over een Amerikaans jongetje en putte voor de personages inspiratie uit de kleurrijke buurt waar ze toen woonde.
Het geheim van David draait vooral om de schuldgevoelens van een kind die ongewild iets heel verkeerds heeft gedaan en daarmee in het reine probeert te komen.
Een fragment:
Thuis ga ik op zaterdagmorgen met mama boodschappen doen. Als we ’s middags terugkomen is papa er al, heeft hij zijn pak uitgetrokken en zijn jeans aangedaan. Dan werken we samen, papa en ik. Klusjes in de tuin of in huis.
‘Wij mannen onder elkaar, David.’
Hout klaarmaken voor de open haard, dat doe ik graag. Ik mag de kettingzaag vasthouden. Die gromt als een tijger terwijl hij zich een weg door het willige hout baant. ‘Voorzichtig, jongen, voorzichtig,’ roept mama als ze het ziet. Ze kijkt verwijtend naar papa. ‘Willy toch! Dat is om ongelukken vragen!’
Hier waren de zaterdagen van een heel ander allooi. Tante Margriet sliep uit, stond om halftwaalf op, gekleed in een streepjespyjama, haar kortgeknipte haardos recht omhoog. Toen ze ook nog haar pijp opstak, zag ze er helemaal uit als een dikke wildeman.
David had geen van zijn ouders ’s middags ooit in pyjama gezien. Dat was goed als je ziek in bed lag…
‘Helemaal anders dan bij jou thuis, hé David?’ vroeg tante Margriet alsof ze in zijn hersenpan kon kijken. ‘Je tante is niet zoals je vader, hoor. Ik probeer niet een perfect mens te zijn. In het weekend ben ik doodop en doe ik geen klap. Dan laat ik mezelf lekker verloederen en moet Alfa zichzelf maar wat zien te beredderen. Dat is goed voor haar zelfstandigheid.’
Tante schonk zich een kop koffie in, greep de krant, pufte en pafte. De kleffe lucht van het woonkamertje plakte tegen Davids vel.
‘Heb je een horloge? Je mama komt je tegen twaalven halen om een hapje te eten en naar het ziekenhuis te gaan. Later op de middag komen wij ook.’
Nog meer pyjama’s. Slappe kreukelige pyjama’s om slappe kreukelige lichamen heen. Het was druk in het ziekenhuis. Vanachter open deuren zwaaiden de pyjamadragers naar de dunnetjes geklede zomerse bezoekers, liepen kreupel rond aan hun arm, of lieten zich in rolstoelen door hen voortduwen.
‘Niemand heeft zin om ziek te zijn met zo’n mooi weer,’ zei de vrolijke verpleegster die hen papa’s kamer binnenliet.
Hij zat klaar in een rolstoel.
‘We gaan naar buiten,’ zei mama.
‘Waar de vogeltjes fluiten,’ vulde papa aan. ‘Voorwaarts, mars!’
Naar buiten? Het ziekenhuis uit? Een wandelingetje maken op straat? Zieken mochten toch niet zomaar een ziekenhuis uit? Dat was toch te gek? Je ging toch ook niet een ommetje maken met een gevangene?
‘David, duw jij?’ vroeg de pyjamaman in de rolstoel.
‘Ik denk dat ik naar het toilet moet.’ David voelde zijn buikspieren verkrampen. Twee hamburgers had hij vanmiddag gegeten in het restaurant, en een dubbele portie friet. ‘Dat zal je bij Margriet wel niet op je bord krijgen,’ had mama gezegd. ‘Je tante gelooft in gezond voedsel.’
Nu keek ze geërgerd om het oponthoud dat ze zelf mee veroorzaakt had.
‘We zullen wachten. Haast je.’
Maar de rolstoelman zei, tot Davids opluchting: ‘Laten we al gaan. David kan ‘t alleen ook wel vinden. Weet je waar het is?’
‘De cafetaria,’ zei mama ongeduldig. ‘Het terras. Je neemt de lift tot min één, en je volgt de pijltjes.’
Ze gaf de rolstoel een fikse duw.
‘We zoeken een plaatsje bij de vijver,’ zei papa. ‘Daar is het lekker koel.’
Stommeling stommeling stommeling, mopperde hij op zichzelf terwijl hij het toilet binnenstormde. Buiten betekent niet noodzakelijk het ziekenhuis uit! Hij boog kreunend voorover op de pot. Ondertussen zag hij het beeld van zichzelf opduiken, een rolstoel voortduwend door drukke winkelstraten vol bekende gezichten.
‘Dag meneer Vermandere, ik ben met papa aan het wandelen.’
Of Johnny, nog erger. ‘Met je familiale omstandigheid op stap, Vanhee?’
Stommeling, stommeling, stommeling!
Tweehonderd vijfennegentig stommelingen verder stond hij in de supersonische geluidloze lift die hem naar de diepste diepten van het ziekenhuis bracht.
Een eindeloze wandeling door koele tunnels vol neonlampen.
Dan was er geroezemoes en een plotse overdaad van zonlicht en gezichten.
‘David rustig? Dat wel, Roosje. Véél te rustig!’
De stem van tante Margriet. Vlakbij maar onzichtbaar. Stem en tante gingen schuil achter een rieten schutting.
‘Nog geen stap buitengezet. Hij zit daar maar binnen te suffen, het is niet gezond voor zo’n jongen.’
‘Hij zou met Johnny kunnen gaan voetballen.’ Wijsneuzige Alfa mengde zich in het gesprek als een volwassene.
‘Johnny?’ vroeg mama.
‘Die jongen van onze nieuwe buren,’ zei tante Margriet. ‘Ze kennen elkaar trouwens al van school of zo, maar ik heb de indruk dat ze daar niet zo goed met elkaar konden opschieten.’
‘Johnny kan machtig voetballen,’ kwam die kwettertrien van een Alfa er weer tussen.
David hoorde de volwassenen lachen.
‘Sinds wanneer ben jij in voetbal geïnteresseerd, Alfje?’ vroeg de man in de rolstoel.
‘Johnny is een erg knappe jongen,’ gniffelde tante Margriet. ‘Een zuiders type met van die donkere ogen. Best de moeite waard. Waar of niet, Alfa?’
David geloofde zijn oren niet. ‘t Was tijd om in te grijpen. Hij schoot vanachter de schutting te voorschijn.
Mama knikte hem toe en maakte plaats naast haar op de bank.
‘Wat gaan ze nu verder met je uitspoken, Willy?’ vroeg tante.
‘Maandag krijgt hij een pacemaker,’ zei mama. ”t Schijnt dat zo’n operatie niet zoveel meer te betekenen heeft. ‘t Is in een wip gedaan. En die apparaatjes zitten zo vernuftig in elkaar… Tegen ‘t midden van de week kan je al naar huis, hé Willy?’
‘Zodra ze dat machientje goed afgesteld hebben, is ‘t in orde.’
‘Oom Willy’s hart heeft wat hulp nodig om regelmatig te kunnen kloppen,’ zei mama schooljufachtig tegen Alfa die niets gevraagd had. ‘Dus krijgt hij een apparaatje ingeplant, een pacemaker. Een elektronisch hulp-hart. Snap je?’
Maar Alfa keek dromerig voor zich uit, haar blik op oneindig.
Mama stootte tante Margriet aan. ‘Ze begint er de leeftijd voor te hebben,’ zei ze geheimzinnig. ‘Bij jongens is dat anders, die zijn er later mee.’
‘Dertien,’ zei tante Margriet. ‘Weet je nog, Roos, dat we ’s zondags altijd naar de vroegmis gingen? En ik steevast helemaal op de hoek wilde gaan zitten, vlakbij de gang? Dan kon ik naar Ben kijken. Hij zat altijd alleen, aan de overkant van de gang. En hij zong luid mee met de hymnes en keek naar mij.’
‘Je dacht dat hij naar je keek,’ zei mama.
‘Ach, wat deed het ertoe. Ik heb nooit een woord tegen hem gezegd. Kijken was genoeg. En hij had een brommer.’
Mama giechelde, streek in een plots gebaar over Alfa’s wilde rode krullen. ”t Is een mooie tijd, geniet er maar van.’
Hij wilde snel de andere kant uitkijken, draaide zich om, stootte zijn elleboog tegen een glas. Het viel om. Zwart sissend schuim verspreidde zich razendsnel over het tafelblad.
Tussen de gilletjes en het gedoe met papieren zakdoekjes door, zat hij doodstil en staarde naar de man in de rolstoel.
Als je hart geregeld wordt door een machine, wat gebeurt er dan met wat je voelt? Is dat dan ook weg? Dan kan papa’s hart toch niet langer tilt slaan als hij mij ziet? Hoe kan ik dan nog een gevaar voor hem zijn? Mag ik dan toch niet terug naar huis komen?
Dat wilde hij vragen. Maar hij wist dat het niet zo werkte. Dat er herinneringen waren die geen machine ooit uit kon wissen.
(Houtekiet, 1997)
