Op deze pagina:
- het onstaan van Wilde Lucht
- een beoordeling van Lynn (17)
- de legende van Stormwind en Wilde Lucht
Bezoek ook de website www.wildelucht.com
- Anna Coudenys over het ontstaan van Wilde Lucht:
Boeken hebben een mysterieuze manier om zichzelf te schrijven. Eind 2002 liep ik rond met het idee een boek over muziek te schrijven maar wist niet goed hoe of wat. Tot ik naar een optreden van een vriend van me ging en daar muziek hoorde die me meteen erg intrigeerde. Eén song vooral bleef me bij: Inside, een liefdeslied maar toch ook weer niet, want de woorden waren helemaal anders dan bij andere liefdesliedjes. Ik vond de lyrics op zijn website: why, what can I do but smile…
De volgende dag ben ik beginnen schrijven. Het was valavond en ik zat razendsnel met potlood op wat kladpapier te pennen. Het werd steeds donkerder en de letters leken te vervagen op het zelfde moment als ik ze neerschreef. Het waren vreemde woorden die iemand me scheen in te fluisteren. Een meisje, een jong meisje dat iets verschrikkelijks had meegemaakt, dat opgesloten zat, bewaakt werd… Ik heb die kladblaadjes lange tijd opzij gelegd omdat ik niet goed wist wat ermee aan te vangen. En die muziek bleef maar door mijn hoofd spoken. Ik wilde toch een boek met muziek? Of was de muziek er al, en had ik alleen nog het boek te schrijven? Het boek weigerde koppig te verroeren zolang ik niet terugkeerde naar mijn duistere notities. Het boek weigerde één letter prijs te geven totdat ik de telefoon nam en die vriend van me opbelde. Of hij een soundtrack bij een nog ongeschreven roman wou maken. Hij vroeg niet waarover het verhaal zou gaan. Vroeg niet waarom. Vroeg niet of ik daar al eens goed over nagedacht had en besefte waaraan ik begon? Vroeg niet of ik wel wist dat zoiets nog nooit eerder was gebeurd omdat boeken in tegenstelling tot films normaliter geen soundtrack hadden. Hij zei gewoon: ik doe het!
Toen kon ik mijn notities weer opdiepen en eindelijk, eindelijk beginnen schrijven. En weer kwamen de letters vanzelf en vormden zich tot zinnen, alinea’s en daardoorheen weefden zich songs die het verhaal verder stuwden. Zo kwamen Lia, Lennert, Jarno en Sanne tot leven. En nu ze er eenmaal zijn, kan ik me geen wereld zonder hen voorstellen. Misschien kom ik ze morgen wel op straat tegen. ’
- Lynn, 17, maakte een uitgebreide boekbespreking van Wilde Lucht. Dit is haar beoordeling van het boek:
“Ik heb echt genoten van dit boek. Het las heel vlot, je werd helemaal ingeleefd in de gedachtekronkels van Lia. Je leest eigenlijk haar papiertjes die ze gebruikt om alles te verwerken, daarom ook gaat het soms van de ene gebeurtenis naar de andere. Haar gevoelens zijn heel precies beschreven, ik kon mij perfect inleven in wat ze meemaakte en haar mening daarover. Ik herkende me er zelfs een beetje in. Het verhaal is heel goed opgebouwd.Haar onmogelijke liefde voor twee muzikanten met wie ze een diepe verbondenheid voelt, wordt prachtig beschreven.’,' Zij is eigenlijk stapelverliefd op Lennert, terwijl Jarno iets voor haar voelt. Ze worstelt met haar gedachten, ze zijn allebei zo bijzonder voor haar.
Er zit ook een mooie symboliek in; in het begin van het boek ligt ze in haar bed en ziet ze hoe een nachtvlinder tegen het raam fladdert, naar het licht binnen in de kamer. “De drang naar licht is sterker dan de drang naar zelfbehoud. Tot ze geklemd zit tussen een muur van licht en een muur van duisternis, allebei even doordringbaar.” Op de laatste bladzijde van het boek, de laatste avond van haar verblijf in de instelling, hangt er een nachtvlinder tegen het raam, moegevochten. Lia knipt het licht uit in de kamer waardoor de duisternis buiten veel lichter wordt. De vlinder draait zich om en fladdert weg, de vrijheid tegemoet.
Dit is zo perfect hetzelfde als wat Lia doormaakt: ze verlangt ernaar bij Lennert te zijn, maar dit mislukt en na een lange, zware strijd, is ze klaar om weer in het leven te stappen.
Zoals deze zijn er nog veel meer vergelijkingen waardoor veel duidelijk wordt gemaakt, ik vind dat ongelofelijk knap!
Ook wou ik nog iets zeggen over de soundtrack. Dier vormt een prachtig geheel met het boek. Als je de liedjes hoort, kan je zonder probleem de link leggen naar een bepaald moment in het verhaal. Niet dat er expliciet naar verwezen wordt, nee, het is gewoon in elkaar verweven. De muziek is op het verhaal gebaseerd en andersom. De emoties die je in Lia’s notities leest, voel je in de muziek. Kortom, de passie voor muziek en hoe muziek gevoelens kan uitdrukken waar je zo geen woorden voor kan vinden, daar gaat het hier om!
Zoals je wel kunt merken, ik ben vol lof over dit boek!! Ik kan het aanraden aan iedereen. En als je een voorliefde voor muziek hebt, zou ik geen seconde meer wachten om het boek te verslinden.”
- Hieronder vertelt Anna de legende van Stormwind en Wilde Lucht:
Toen ik de naam Wilde Lucht gekozen had als titel van mijn nieuwe roman, ging ik op zoek naar de betekenis van die naam. Zo kwam ik terecht in Canada waar ik op de oude, bijna vergeten legende van Stormwind en Wilde Lucht botste. Die heb ik hier opgeschreven. Voor alle duidelijkheid: mijn roman Wilde Lucht is het verhaal van een meisje uit onze 21ste eeuw waarin gsm\’s rinkelen en vrachtwagens razen. Geen indianenverhaal dus. Of toch wel?
“Stormwind en Wilde Lucht werden geboren als indianen van de Quigong stam in de vlaktes van het Hoge Noorden, daar waar de zomerdagen lang zijn en de winters donker en bars. Het was zo’n winternacht, de noordenwind gierde langs de tipi’s en zelfs de grote, wijze boom Mamosa in het midden van het tentendorp scheen te beven onder het geweld van de storm. Het verhaal ging, dat Mamosa 627 jaar oud was en dat, als hij ooit zou sterven, de Quigong indianen voorgoed zouden ophouden te bestaan. Iedereen hield van de boom en koesterde hem want hij was de levensboom van de hele stam. De kinderen speelden verstoppertje in zijn hoge, brede takken, de vrouwen vilden beren in de schaduw van zijn gebladerte en de mannen zaten ’s avonds in zijn gezelschap hun lange dunne pijpen te roken en zwijgend voor zich uit te staren.
Een verschrikkelijke stormnacht was het toen Stormwind en Wilde Lucht geboren werden en aan die stormnacht hadden ze hun namen te danken. Ze kwamen op hetzelfde moment op aarde, hun schreeuw klonk tegelijkertijd boven het huilen van de wind uit en er ging een siddering door het dorp. Iedereen voelde dat dit een magisch moment was.
De vader van Stormwind was stamhoofd. Wilde Lucht zou in de voetsporen van zijn vader treden die houtbewerker was en de scherpste pijlen ooit maakte waarmee het hart van de bruine beer in één schot doorboord werd. Hun moeders waren vriendinnen en wasten elkaars ravenzwarte haren in de waterpoel, terwijl de papooses lagen te spartelen op een deken van berenhuid. Stormwind en Wilde Lucht groeide op als gewone, sterke jongens van de stam, ze leerden jagen van hun vaders, die dat op hun beurt van hun vaders geleerd hadden, en niets wees erop dat beide jongens de kunst van het jagen niet zouden doorgeven aan hun kinderen, en die kinderen aan hun eigen kinderen en zo verder, tot het verre einde der tijden.
Stormwind hield het meest van paardrijden. Hij had zijn dier zijn eigen naam gegeven en als iemand over Stormwind sprak, was het nooit helemaal duidelijk of nu het paard of het dier bedoeld werd. Als Stormwind op de rug van Stormwind galoppeerde was het alsof er geen verschil was tussen jongen en dier. Het bruin van zijn huid vermolt met de bruine paardenvacht, zijn donkere haren vermengden zich met de manen van het dier. Ze galoppeerden zo snel de Stormwinds poten de aarde niet meer schenen te raken. Maar vaak keek de jongen verlangend naar omhoog, daar waar de adelaar cirkelde.
Soms, als Wilde Lucht en Stormwind door de valleien draafden, gaf Stormwind zijn paard een klap op zijn flanken en gaf een felle kreet, zoals de adelaar daarboven en ging ervandoor, zo snel dat Wilde Lucht hem niet kon bijhouden. Eindeloos zou Stormwind hebben kunnen blijven galopperen.
“Tot het einde van de wereld,” zei hij tegen zijn vriend. “Op een dag blijf ik rijden tot voorbij de rand van de wereld.”
Wilde Lucht lachte: “dan val je er af.”
“Dan vlieg ik,” zei Stormwind. “Als ik blijf vallen, dan vlieg ik.’
“Je hoeft niet te vliegen,” suggereerde Wilde Lucht voorzichtig. “Je kan ook dromen.”
Maar Stormwind schudde het hoofd.
Wilde Lucht leerde hout snijden van zijn vader. Hij leerde snel, maakte handige drinknappen, stevige pijlen en pijlenkokers en voor de dorpsoudsten de lange dunne pijnpen die ze zwijgend rookten onder de levensboom, Mamosa.
Als hij met zijn mes door het hout gleed, was hij ver weg met zijn gedachten. Hoger dan de adelaar, dieper dan het diepste meer. Maar dat gevoel kon hij niet met Stormwind delen.
Voor zijn vriend kerfde hij het piepkleine maar prachtige beeld van de adelaar. Stormwind bond het aan een stuk koord en vanaf die dag hing de adelaar om zijn hals als een talisman.
En zo, terwijl de vredige rust van de indianenstam onverstoorbaar leek, vrat het vreemd, ontembaar verlangen zich een weg in het hart van Stormwind en het verlangen kreeg een gezicht. Het meisje kwam. Met haar gouden haar dat fel afstak tegen het bruin en zwart van de Quigongstam, had ze iets van een godenkind. Ze had de naam gekregen van de maand waarin ze twintig lentes geleden geboren was. May heette ze. Samen met haar vader was ze uit het niets opgedoken, haar vader, een zwijgzame man die de stam als jongeling verlaten had om te gaan zwerven en over wie men nu fluisterde dat hij een blanke vrouw had bekend met wie hij dit gouden kind gekregen had.
Samen met de andere jongens hielpen Stormwind en Wilde Lucht een tent voor de nieuwkomers te bouwen aan de rand van het dorp. Het was een hete zomerdag en het gouden meisje bracht hen te drinken uit een nap. Eerst dronk Wilde Lucht en toen hij een grote slok genomen had, keek hij op, recht in haar diepblauwe ogen. Ze keek niet weg, lachte niet, maar staarde hem heel ernstig, heel bedachtzaam aan. Hij zag ook hoe Stormwind de nap van haar overnam, hoe haar vingertoppen de zijne raakten, hoe hij opkeek en zijn donkere ogen in de hare brandden. Wilde Lucht voelde het vuur, hij voelde de pijn. Was het de zijne? Was het die van zijn zielsbroeder?
Wilde Lucht ging May uit de weg. Hij zorgde ervoor nooit alleen met haar te zijn. Als ze in het gezelschap van Stormwind opdaagde, dan verdween hij zo snel mogelijk. Ze is van jou, zei hij in gedachten tegen Stormwind. Ik zal je geen duimbreed in de weg leggen.
Toen de zomer op z’n einde liep en Mamosa zijn eerst bladeren goudbruin liet kleuren, stapte ze op hem toe terwijl hij voor zijn tipi aan het werk was.
“De adelaar, die Stormwind op zijn borst draagt, heb jij die gemaakt?”
Hij knikte, durfde niet opkijken.
“Maak je er ook zo een voor mij?”
Identiek dezelfde adelaar? Als teken van de band die tussen haar en Stormwind ontstaan was?
Elke kerf die hij in het hout maakte, was een kerf in zijn ziel. Hield hij genoeg van zijn vriend om de diepe liefde die hij zelf voor het meisje May voelde, op te geven in naam van hun vriendschap? Hij had geen keuze. De band tussen ons is sterker dan de liefde voor een vrouw, dat wilde hij tegen Stormwind zeggen, maar ook die woorden bleven onuitgesproken tussen hen.
“Heb je het beeldje af?” Dagen later, in de schemering van de koele herfstavond, stond ze er opeens weer, hurkte belangstellend naast hem neer. Hij legde zijn mes opzij. Hij kroop de tipi in om het beeldje te halen, maar ze kwam hem achterna. Ze nam het uit zijn hand en deed geen moeite om hem niet aan te raken.
Tot zijn verbazing gaf ze hem het beeldje meteen terug. “Het is het jouwe,” zei ze. “Jouw adelaar.” En ze boog zich voorover en kuste hem op de mond. “Ik heb jouw dit beeldje laten maken in de hoop dichter bij jou te komen,” fluisterde ze. “Je bent al die maanden zo afstandelijk en zwijgzaam geweest, ik moest een manier vinden om je alleen te ontmoeten…” En ze kuste hem opnieuw.
Het kostte hem moeite haar van zich af te houden. “Stormwind…”
Ze begreep hem meteen en zei zacht: “Hoe kan ik hem liefhebben zonder ook van jou te houden?”
Hij schudde het hoofd. “Nee, May, nee, het kan niet!” Het klonk als het gebazel van een kind. “Het zal ons verteren, het zal ons verscheuren!”
Het was te donker om haar ogen nog te zien, maar hij wist wat haar blik hem wilde zeggen. “Het verscheurt me nu al…”
Het was te laat. Het was te laat geweest vanaf het eerste moment dat zij drieën elkaar in de ogen hadden gekeken.
Wist Stormwind het? Had May hem iets verteld? De volgende dag nodigde hij Wilde Lucht uit voor een rit te paard. Dat was heel lang geleden. Er woei een felle wind door de valleien en paarden en ruiters moesten zich ademloos een weg vechten door het hoge gras. Ze reden lang en ver, tot ze bij een diepe afgrond kwamen. Daar hield Stormwind halt. Wilde Lucht zag hoe hij rilde en hij had het zelf ook koud, koud van binnen, koud van angst.
“Hou je van haar?” vroeg Stormwind.
Wilde Lucht sloeg zijn ogen neer.
“Het kan zo niet verder,” sprak Stormwind. “Het moet ophouden.”
Was Stormwind eenvoudigweg jaloers op de kus die ze van zijn vriend gestolen had? “Ik heb het nooit gewild…” mompelde Wilde Lucht.
“Het moet ophouden,” zei Stormwind, krachtiger nu.
“Het is opgehouden voor mij,” probeerde Wilde Lucht hem gerust te stellen. “Het is nooit begonnen.”
Maar Stormwind schudde heftig het hoofd en de pijn was er terug in alle hevigheid, onvatbaar, dominerend. Een naamloze doem legde hen het zwijgen op.
Stormwind reed niet mee terug naar het dorp, hij bleef staan, zijn armen gevouwen, uitkijkende over de valleien in de diepte.
Die nacht wakkerde de wind aan zoals nooit te voren, ze huilde en krijste langs de tipi’s als een vrouw gedreven door de waanzin, rukte scheuren in de huiden van de tenten, bracht de mannen en vrouwen bevend bij elkaar in de grote gemeenschapstent. Stormwind was nergens te bekennen en ook May was er niet. Toen iemand naar haar vroeg, antwoordde haar vader dat ze weggereden was op haar paard, diezelfde ochtend, en niet meer was terug gekomen, dat ze onbegrijpelijke woorden had gesproken: “Het kan niet verder, dit moet ophouden…”
“Waar is Stormwind, je zoon?” vroeg een ander aan het stamhoofd. Maar het stamhoofd zweeg en keek met nietsziende ogen voor zich uit.
En toen de wind naar adem scheen te happen en het krijsen even ophield, barstte het onweer los. Fel flitsten de bliksems neer op het dorp, hevig knetterden de donderslagen. De angst greep Wilde Lucht bij de keel. Stormwind! De doem was geschied!
Opeens kwam de laatste donderslag, de laatste bliksemschicht. Ze verlichtte de tent tot in de verste hoeken, alle bange bleke gezichten laaiden één moment op. Toen brak Mamosa. Ze scheurde uit elkaar onder de bliksemschicht die haar diep en dodelijk in haar wortels raakte, viel uiteen, schoot in brand. Als bij wonder werd niemand lichaam gewond, maar de wonde in de geest van de jonge Quigong indiaan Wilde Lucht was even dodelijk als de slag die Mamosa was toegebracht. Toen even later het paard Stormwind ruiterloos het dorp binnenraasde, was hij zeker dat het einde geslagen was. Stormwind had zijn paard gespaard en was alleen de dood in gesprongen. Het stamhoofd had geen opvolger meer en het einde van Mamosa zou het einde van de Quigong betekenen. Dat wilde de legende.
Wilde Lucht wachtte niet op de dageraad om naar het Zuiden te vertrekken. Hij was ervan overtuigd dat de dagen van de Quigong stam voorbij waren. Iedereen zou vertrekken, voorgoed. Ze zouden een zwervend volk worden, versplinterd, verscheurd. Het enige wat hij meenam, was een zadeltas vol stukken hout van de dode levensboom, het beeldje van de adelaar en het paard van zijn vriend. Zo zou hij Stormwinds naam kunnen blijven noemen telkens als hij het paard riep.
Hij reisde ver en onvermoeibaar, dagen en nachten lang zonder te rusten. Tot hij de eerste huizen tegenkwam, echte houten huizen, geen tenten. Er woonden blanken, blanke vrouwen ook, met hetzelfde gouden haar en blauwe ogen als May. Hij wist dat dit de plaats was. Met afvalhout bouwde hij voor zichzelf een hut aan de rand van het kleine dorp.
Uit de kostbare stukjes hout van de dode levensboom sneed hij voorwerpjes om aan voorbijgangers te verkopen. Was het de magie van het Mamosa-hout waardoor de blanke dorpelingen hun vrees en afkeer voor de donkere, zwijgzame indiaan overwonnen? Iedereen aan wie hij een voorwerp verkocht, kwam terug en bracht anderen mee om drinkbekers, kommen, lepels en ander huisgerei te laten maken. In ruil voor zijn vakmanschap brachten de vrouwen van het dorp hem bovendien vaak groenten, vruchten, melk, en ander voedsel dat hij met een dankbare glimlach aanvaardde.
Wilde Lucht verlangde. Zijn verlangen was diep en duister, en hij wist nog steeds niet of het zijn eigen verlangen was of dat van zijn dode zielsbroeder dat binnenin hem wortel had geschoten. Hij koos het mooiste stukje van Mamosa uit en gaf zijn verlangen vorm. Zeer zorgvuldig kerfde hij haar beeld, haar lange haren, haar grote ogen, de fijne trekken van haar gezicht.
Toen hij de laatste vouwen van haar kleed in het hout had uitgesneden, stond ze voor hem. Wie had ze verwacht? Een man met een beeldje van een adelaar om zijn hals en een paard dat Stormwind heette. Had ze Stormwind verwacht? Hij zou het nooit te weten komen.
Ze sprak niet maar keek hem in de ogen en het diepe vuur dat al die jaren binnenin hen had gebrand, flakkerde op. Ze nam voorzichtig het beeldje uit zijn handen en legde zijn handen om haar middel, op precies dezelfde wijze als hij het beeldje had vastgehouden. Ze was ouder geworden, haar gelaatstrekken scherper, haar huid bleek doorschijnend, ze zag er moe uit, moe van een verdriet dat nooit verwerkt zou worden. Hij moest haar van Stormwind vertellen, ook al zou ze daarna voorgoed van hem weggaan, maar ze knikte alleen alsof ze al wist wat er gebeurd was en drukte zich steviger tegen hem aan.
Ze bleef en later bouwde hij een grotere hut voor haar en voor het kind dat er na negen maanden zou komen. Was dit geluk? Wilde Lucht wist het niet. Hij zag het kind groeien in haar buik en met het kind groeide er een nieuw verlangen: dat naar het land van zijn voorvaderen, naar de gebroken levensboom, de eenzame valleien waar nu de arend en de beer vrij spel hadden in plaats van de eens zo machtige Quigong.
“Als het kind geboren is, gaan we terug,” fluisterde hij haar toe terwijl ze op het kraambed lag. Ze knikte en greep zijn hand vast. Haar huid was vaal geworden, haar gebaren traag en vermoeid, de laatste restjes van haar levenslust had ze doorgegeven aan het kind in haar. Verlangde ze naar Stormwind? Kon zelfs de belofte van een kind dat verlangen niet opheffen?
Ze stierf met het pasgeboren meisje in haar armen. “Ik zal je noemen naar je moeder,” zei Wilde Lucht tot het krijsende kind en hij huilde met haar mee.
Met de laatste stukje Mamosa-hout maakte Wilde Lucht een miniatuur Quigongdorpje voor kleine May. Kleine tipi’s, papa’s, mama’s en indianenkindjes, een klein paardje dat Stormwind heette en een levensboom met een machtige brede stam, in het midden gespleten tot diep in zijn wortels. Toch stond hij nog fier rechtop, twee-in-één , spreidde zijn armen beschermend over tipi’s en mensen uit.
May was een ernstig kind met grote, verwonderde ogen. Ze was beleefd en rustig en liet zich gewillig bemoederen door de vrouwen van het dorp die haar vaak meenamen om haar extra te voederen met vlees en aardappelen, haar een jurkje aan te passen en haar lange zwarte haren te vlechten.
Pas toen Wilde Lucht zeker was dat zijn dochter de barre reis zou overleven, pas toen ze een stevige, mollige kleuter geworden was met een roze blos op haar wangen, zadelde Wilde Lucht zijn paard.
Stormwind was oud geworden: dit zou zijn laatste reis zijn. Hij droeg het kind en de man gewillig, de volle zadeltassen met benodigdheden voor het kind, de juten zak met het houten speelgoeddorp.
“Waar gaan we naartoe, papa?” Het was bijna zomer en in de langer wordende dagen was de reis naar het Noorden rustig en wars van avontuur.
“Naar het land van de echte Mamosa.”
“De Mamosa die geraakt was door een vreselijke bliksem, in twee gespleten is en opnieuw ging bloeien?”
“Nee, mijn liefje, de echte Mamosa is dood.”
May haalde de miniatuurboom uit haar speelgoedzak en keek haar vader fronsend aan.
De weg terug was de weg door de hel van Wilde Luchts herinnering. Het kind hield hem recht met haar eindeloze vragen en haar mateloos vertrouwen. Het paard Stormwind wist de weg en leidde hen over de grote vlaktes naar het groene heuvelland in het Noorden.
Hoog en weelderig groeide het gras in de vallei van Wilde Luchts jeugd. Het paard volgde de rivier. Daar, achter de bocht zou het open terrein liggen waar ooit de tipi’s van de Quigong zich verzameld hadden.
De zon scheen fel in Wilde Luchts ogen, hij moest ze dichtknijpen, ze begonnen te tranen, hij zag duizenden sterren weerspiegeld in het dansende water van de rivier, in zijn oren suisde een vreemde bries die het gejoel van kinderstemmen met zich meedroeg, hij hoorde zijn dochter schreeuwen: “Mamosa, Mamosa!”, voelde hoe Stormwind tot een halt kwam.
Hij sloeg zijn handen tegen zijn oren. De stemmen, de stemmen! Laat de stemmen ophouden!
Het kind trok aan zijn mouw. “Papa, kijk, kijk!”
Het geschater werd luider, nu waren er ook volwassen stemmen die hem aanspraken in de taal uit een verre, mooie droom.
Hij opende zijn ogen. Ze stonden in de schaduw van hoge takken in het midden van een bonte wirwar van tipi’s.
Kleine May zwaaide met haar miniatuurboom. “Zie je wel papa, zie je wel!”
Hij zag Mamosa, gewond tot diep in zijn wortels, zijn stam gespleten, zwartgeblakerd en gescheurd. Maar hij stond trots overeind, twee-in-één en spreidde nog steeds zijn beschermende armen over de tipi’s van de Quigong.
May sprong in de armen van haar grootvader.
“Welkom thuis, Wilde Lucht. We hebben op je gewacht.”

Ik vond het echt een heel goed boek.
Aan het begin snapte ik het nog niet echt, maar toen ik verder las werd alles duidelijk. Lia is zo mooi beschreven, al haar gedachten, al haar gevoelens. Soms moest ik zelfs even slikken omdat het zo triestig was.
Wat ik ook heel mooi vond was de woordspeling: Lia speelt mikado met haar gedachten. Ik weet niet of ik het wel echt een woordspeling mag of kan noemen want als je het de tekst op de achterflap leest weet je nog helemaal niet dat ze die mikado speelt dankzij het vele aanmoedigen van Mika.
Maar toch, proficiat Anna !
Het is écht een ontroerend goed verhaal.
Groetjes, Sarah